De dag dat de onschuld is VERMOORD........

 

Léon Wesly is vier jaar oud als hij sterft. Een pril leven eindigt in de gaskamer van Auschwitz. Omdat hij joods is. Omdat hij wordt verraden. Dit is zijn verhaal. Een verhaal dat de gemeenschap Voerendaal als een loden last draagt.

 

 

 

 

Doorgangskamp Westerbork, Drenthe. Dinsdag 8 februari 1944. Een transport van meer dan 1.000 joden vertrekt. Doodzieke mensen worden op bedden in veewagens geschoven. Naast elkaar, op elkaar. Zoals men kisten in een lijkwagen schuift.

 Het is een donkere wintermorgen aan wat bewoners de Boulevard des Misères noemen: het treinspoor in doorgangskamp Westerbork. Natte sneeuw valt gestaag uit de hemel. Kinderen met roodvonk, difterie, mazelen, longontsteking en bof staan op het ‘perron’. Ook ouderloze kinderen uit het weeshuis. En bijna 300 patiënten uit het ziekenhuis. Allemaal gaan ze op de trein. De joodse journalist en schrijver Philip Mechanicus noteert de gebeurtenissen in zijn dagboek.

Men raakt door de veelheid, de grofheid, de beestachtigheid het zicht erop kwijt, maar dit transport spant toch wel de kroon qua gebrek aan consideratie voor de zieken. Misschien wel het meest beestachtige van alle transporten die er zijn gegaan.

 Als rond 11 uur de fluit gilt, signaal van vertrek, huiveren alle kampbewoners. Maar ze weten dat ze in elk geval voor een week veilig zijn. Dat geldt niet voor de 1.015 inzittenden van de trein met eindbestemming Auschwitz-Birkenau. Aan boord is ook een Limburgse jongen, vier jaar oud. Léon Wesly, geboren in Maastricht, gaat de dood tegemoet. Een halfjaar eerder. Op het Laurentiusplein in Voerendaal speelt Léon met zijn zus Leonie (Leni) en andere kinderen uit de buurt. Leni is de eerste die bij de familie Schmitt intrekt. Léon komt maanden later nadat hij op zijn onderduikadres vervuild en verwaarloosd is aangetroffen. Niemand weet dat het joodse kinderen zijn. ‘Het zijn wezen uit Rotterdam. Geëvacueerd omdat het bombardement alles heeft verwoest’. Met dat verhaal hoopt het gastgezin de kinderen te beschermen tegen de nazi’s. En dat lukt lange tijd. In werkelijkheid komen Léon en Leni (6) uit Maastricht. Ze zijn geboren aan de Koning Clovisstraat en met hun ouders Emile en Fränzi gevlucht toen de deportaties begonnen. Ze laten praktisch alles wat ze bezitten achter in hun geboortestad. Ze hebben niets misdaan. Maar als joods gezin doet dat er niet toe tijdens de Tweede Wereldoorlog. Vader en moeder vinden met hulp van het verzet een onderduikadres in Treebeek, Léon en Leni in Voerendaal. Ze gaan daar naar de kerk en maken deel uit van de gemeenschap. Leni en Annie Schmitt zijn al snel hartsvriendinnen. De kinderen hebben geen notie van wat zich in de wereld écht afspeelt. Dat de nazi’s bezig zijn met de vernietiging van het joodse volk en andere Unerwünschten, dat miljoenen mensen de gaskamer in worden gejaagd. Zelfs in doorgangskamp Westerbork weet niemand écht wat in het oosten gebeurt. Mensen gaan daarheen om te werken, krijgt men te horen. Werken? Bejaarden, gehandicapten, kinderen en zuigelingen? Natuurlijk voelen de meesten aan dat iets niet in de haak is. Per slot van rekening keert niemand terug, komen er geen brieven uit Polen. Maar gewoonlijk worden de ogen gesloten voor de waarheid. En dat is dat het heel slecht nieuws is als je op transport gaat. Als je dinsdags op de Boulevard des Misères moet verschijnen. Terwijl in Voerendaal op straat wordt gespeeld, hebben de kinderen in Westerbork het zwaar.

 Mechanicus: De kindersterfte is groot; een kind per dag. Longontsteking, roodvonk, ingewandsstoornissen komen veel voor. De verzorging van de kinderen laat veel te wensen over.

Léon en Leni hebben nog relatief weinig te klagen. Hun ‘pleegvader’ Jef Schmitt zit in het verzet en om de onderduikers te verzorgen, krijgt hij clandestien voedselbonnen. Daar krijgen mensen lucht van. Mensen die het minder goed hebben. En foute mensen. Op een novemberdag staan dan ook ineens zes mannen in zwarte leren jassen voor de deur aan Laurentiusplein 32. De Sicherheitspolizei (Sipo) keert de woning binnenstebuiten, maar kan niets dat ook maar enigszins belastend is vinden. Schmitt is zo slim geweest zijn bonnen en ander materiaal op zijn werk te bewaren. Niemand die vermoedt dat in een pungel, hoog in de kleedruimte van de mijn Oranje Nassau, de buit hangt. Als de zwartjassen het pand verlaten en de laatste in de auto wil stappen, draait die plots om. „Dan nemen we het kind maar mee. We weten al lang dat hij een jood is.” Voerendaalse vrienden van de eerste onderduikverleners van Léon hebben de jongen verraden. Het blijkt een doodvonnis. Leni hoort Léon schreeuwen als hij wordt afgevoerd. Ze kan niets doen, is gevangen in de onmacht van een kinderlijf. Het zal haar een leven lang achtervolgen. Léon wordt naar het politiebureau gebracht aan de Spekhouwerstraat. De dienstdoende agent krijgt de opdracht het kind te bewaken en twee dagen later naar Maastricht te brengen. Van daaruit gaat het richting Westerbork. Niemand die iets durft te ondernemen. Niemand die de jongen bevrijdt, terwijl er tal van mogelijkheden zijn. Uit angst voor Duitse represailles wellicht. Als de kleine na een lange en zware reis op 27 november 1943 in Westerbork arriveert, staat het kamp door een zuidwesterstorm blank. Modder maakt lopen bijna onmogelijk, de leefomstandigheden zijn erbarmelijk. Maar er heerst opwinding. Honderden bommenwerpers, op weg naar Berlijn, zijn de avond tevoren gezien. Het einde van de oorlog is nabij, hopen velen.

Tien vliegers zijn gisteren per parachute op de Drentse heide rondom Westerbork neergekomen, allen Amerikanen. Zij zijn het kamp binnengebracht. Een van hen bleek zwaargewond.

In het dagboek van Philip Mechanicus is ruimte voor tal van arrivés, maar de komst van een 4-jarige jongen uit Limburg gaat aan hem voorbij. Léon is slechts een schim, onzichtbaar. Hij is een van de vele kinderen die moederziel alleen arriveren in het voorportaal van de eeuwige duisternis. Het weeshuis van Westerbork is zijn nieuwe onderkomen.

Het bestaan van de kinderen hier hangt aan een zijden draad. Het leven van de meeste kinderen is, zowel geestelijk als lichamelijk, een lijdensweg. Geen ziekte die hen bespaard blijft. De ziekenhuizen liggen constant vol.

Even, héél even, moet een lach op het gezicht van Léon zijn getoverd.

Hoe groot ook de verschrikking: Sinterklaas weet het kamp te bereiken. Geen kind of het heeft een cadeautje gekregen. Kleinigheidjes, zelfgeprutste dingen vaak. Maar het was Sinterklaas, de oude Sinterklaas.

Vlak daarna komt een decreet: geen viering meer van feestdagen. Op straffe van deportatie. Intussen begint de irritatie bij de kampleiding te groeien. Op 6.000 bewoners zijn er 850 ziek. Velen echt, maar een deel niet. Om aan de trein te ontsnappen, zoeken sommigen hun heil in de ziekenboeg. De woede domineert in het schrijven van Mechanicus.

De heren Duitsers hebben bij de administratie de lijst met zieken opgevraagd die geschikt zijn voor transport. Alleen degenen die op sterven liggen, mogen blijven. Ook gaan 40 kinderen uit het weeshuis mee: onproductieve krachten die het budget van het kamp nodeloos belasten, evenals de chronisch zieken, die slechts opvreters zijn. De wet van de jungle: wie niet meekan, wie niet produceert, weg ermee!

De lijst voor het transport van 8 februari bevat 1.015 namen, 268 zieken. In veewagens worden ze vervoerd, met slechts een paar tonnetjes water – één een ton om de behoefte in te doen - aan boord. Wie in een bed ligt, heeft geluk. Voor de rest is er niet eens stro als bodembedekking. Een zieke sterft nog vóór het transport vertrekt. Kinderen worden huilend naar de wagens gedragen. Waar Léon is? Niemand die het weet. Maar zijn naam staat op de transportlijst. Als Leonard Weslij. Schwach und ohne beruf. De kleuter gaat op weg naar een plek waar de onschuld voorgoed is vermoord. Naar de hel die Auschwitz heet. Hij komt er waarschijnlijk 11 februari aan. Het spoor loopt daar letterlijk en figuurlijk dood.

Maanden later.

Limburg is bevrijd. Emile en Fränzi Wesly krijgen van dominee Bauman te horen dat dochter Leni staat te wachten. „Het broertje is verdwaald.”  Nooit zullen ze iets van hem vernemen. Vader en moeder kussen tot hun dood voor het slapen een portret van de kleine, zijn verteerd door verdriet. Zij vergeten Léon nooit. Net zo min als de wereld dat mag doen.

 

 

 

 

ONTHULLING Joods onderduikertje krijgt gedenkteken in Voerendaal

Hij heet Léon Wesly. Vier jaar oud. Gedenk hem’

Op het Laurentiusplein in Voerendaal wordt 19 november een gedenkteken onthuld voor Léon Wesly (4). Een onderduikertje dat werd verraden. Omdat hij joods was.

Zolang we zijn naam weten, hoop ik dat we niet vergeten.” Spreker is Léon Creugers,  directeur van de Woningstichting Voerendaal. De naam is Léon Wesly (4), op 11 februari 1944 vermoord in Auschwitz-Birkenau. Creugers stuit bij werkzaamheden voor een film over honderd jaar Woningstichting op een inktzwarte bladzijde in de Voerendaalse geschiedenis: het verraad van een joodse kleuter uit Maastricht. Creugers schrikt van wat het kereltje overkomt. Léon wordt uit jaloezie of wraakzucht verraden. Ondanks het feit dat er mogelijkheden zijn hem te bevrijden, doet niemand iets. Léon wordt afgevoerd naar doorgangskamp Westerbork en sterft in Auschwitz. „We zijn met tal van mensen tweeënhalf jaar bezig geweest met een film over Voerendaal. Daarvoor zijn verschillende mensen geïnterviewd. Eén dorpsfiguur, Grêt Schrijen, kwam met het verhaal over Léon op de proppen.” Léon blijkt het broertje te zijn van de Maastrichtse zakenman Benoit Wesly. Die is bereid te praten over een misdaad die enorme invloed heeft op zijn leven. Creugers: „Dat heeft me enorm diep geraakt. De nodige tranen vloeiden tijdens dat interview.” Creugers wil een gedenkteken plaatsen en is met autoriteiten, de familie Wesly en nabestaanden van de verzetsfamilie die Léon onderdak bood in gesprek gegaan. Besloten is een herinneringsplek in te richten op het Laurentiusplein in Voerendaal. De plek waar Léon Wesley is opgepakt. Op 19 november wordt, in aanwezigheid van Benoit Wesly, het gedenkteken onthuld.

 

Door Stefan Gillissen

Limburgs Dagblad  (1 Sept. 2012)

 

 

 

 

 

19 November 2012

Onthulling van gedenksteen ter ere van Léon Wesly op het Laurentiusplein te Voerendaal

 

 

 

 

 

 

        Onderstaande info/foto's geplaatst met toestemming van   http://www.maastrichtsegevelstenen.nl/oorlog2e.htm

 

Leon's Struikelsteen geplaatst Koning Clovisstraat 49 te Maastricht

 

Gedenkopschrift op het graf van Emile Wesly (1895-1975)

         Leon Wesly
         *Maastricht 6-4-1939
         +Auschwitz 11-2-1944

      
     Het gezin Wesly-Goldschmidt was ondergedoken. Daarbij was zoon Leon ondergebracht in Voerendaal.
     In 1943 verraden en als 4-jarige gedeporteerd. In 2012 werd voor hem een gedenksteen geplaatst op het Laurentiusplein in Voerendaal.
     Vader Emile Wesly, moeder Fränzi  Goldschmidt (en dochter Lenie) overleefden de oorlog en kregen daarna nog 3 kinderen: Benoit, Tova en Jenny.

 

 

 

 

Zakenman Benoit Wesly spreekt op herdenking in Kansas

‘Het voelde alsof mijn broer Leon thuis kwam’ 

Benoit Wesly speecht vandaag bij de Holocaust-herdenking in het Amerikaanse Kansas. Hij spreekt over zijn trip naar Auschwitz, broer Leon en kleinzoon Boaz.

I talk to him every day and I ask every day: bring him home. Het is één van de zinnen die de aanwezigen in het Kansas History Museum vandaag ongetwijfeld kippenvel zullen bezorgen. De woorden worden uitgesproken door de Maastrichtse zakenman BenoitWesly, die als keynote speaker is uitgenodigd bij de herdenking. Na een dankwoord aan de Amerikaanse soldaten, verhaalt Wesly vooral over de zoektocht naar zijn broer Leon. Die werd op vierjarige leeftijd vergast in Auschwitz. Althans, dat was wat Wesly altijd dacht. Zijn ouders vertelden niet veel over Leon.Weliswaar kuste zijn moeder elke avond diens foto, maar verhalen? Nee. Dus ging Wesly zelf op zoek. Naar Auschwitz. De plek die hij zo verafschuwde. What would Auschwitz have smelled like? vraagtWesly zich af, zo schrijft hij in zijn speech. Hij loopt er rond. Totaal verdwaasd. „Auschwitz is te groot voor één persoon. Het past niet in onze hoofden.” Wat Wesly ook in het hart treft: hij vindt geen spoor van Leon. Helemaal niets, zo vertelt hij vandaag aan zijn Amerikaans gehoor. Everything I knew about him was suddenly up in the air. Het zorgde ervoor dat Wesly twee dagen niet kon eten. Hij is er nog steeds door ontdaan. Wat is er nou met zijn broer gebeurd? Zeker is dat hij is verraden en gedeporteerd. Maar daarna? Vergast? Of misschien toch nog in leven? Wesly houdt een sprankje hoop. Omdat hij het ontbreken van Leons naam niet kan plaatsen in de Duitse Gründlichkeit die ook terug te zien is in de oorlogsregisters. Wesly houdt hoop.  My heart is full of hope. I do not hate. Bring him home. Het is een gevoel dat Wesly niet loslaat. Zolang er geen uitsluitsel is, is er hoop. Op 11 maart van dit jaar krijgt hij enige rust. Niet door een teken van Leon, maar door de geboorte van Boaz. Boaz-Yaakov Wesly. Eerste kleinzoon van Benoit. Het doet iets met hem. En niet alleen omdat het zijn eerste kleinzoon is, zo spreekt hij vandaag uit. „Het voelde alsof hij thuiskwam.” Hij, Leon. Zijn oudere broer, die hij nooit heeft gekend. Maar aan wie hij meteen denkt bij het zien van de kleine Boaz. I am very happy with my grandson. The journey is over.”

 

Door Stefan Gybels

Limburgs Dagblad  (28 Apr. 2014) 

 

 

 

Top